Wat voor materiaal gebruikt Wired?

Het materiaal en de onderwerpen die Wired aan bod komen, hebben de volgende kenmerken:

  • Het materiaal is motiverend. We doen hiervoor veel onderzoek onder leerlingen om te bepalen wat ze echt aanspreekt en motiveert tot het leren van Engels. We willen ze raken: “And that’s the role of emotion in making ideas sticky: to transform the idea from something that’s analytical or abstract or theoretical and make it hit the students in the gut (or the heart).” (Heath & Heath, 2010)
  • Het materiaal is authentiek. De input bestaat uit bestaande tekst-, video-, geluids- en beeldbronnen uit de wereld van de leerlingen. Uit ons onderzoek onder leerlingen blijkt dat zij meteen doorhebben als iets niet authentiek, niet echt, is. Authentiek materiaal, hoe pittig soms ook, maakt de inhoud van de lessen Engels echter en geloofwaardiger: “For an idea to stick, it needs to be credible.” (Heath & Heath, 2010)
  • Het materiaal is toegankelijk. Niet alle authentieke input leent zich voor gebruik in de klas. Daarom kijken we steeds zorgvuldig welke onderdelen of fragmenten van authentieke bronnen we wel kunnen gebruiken en hoe we die makkelijker toegankelijk kunnen maken voor leerlingen van verschillende niveaus. Zo voorzien we films van (Engelstalige) ondertiteling en maken we een zorgvuldige selectie van geschikte fragmenten.
  • Het materiaal is activerend. Alle Engelstalige input in Wired spoort aan tot actie, of het nu gaat om extensief of intensief lezen of luisteren of bijvoorbeeld om het schrijven van een verslag of het opnemen en inspreken van een filmpje.

Heath, C & D. Heath (2010).  Made to Stick. Why Some Ideas Survive and Others Die

Wat betekent het gebruik van authentiek materiaal voor de leerlingen?

“Om een taal te kunnen verwerven moeten de leerlingen uitgedaagd worden om zich mondeling en schriftelijk te uiten in de vreemde taal. Voorts moeten zij veel interessante, niet te moeilijke, bij voorkeur authentieke teksten in de vreemde taal lezen en beluisteren”, aldus Bimmel en Weststrate (2014).

Authentieke taal, zeker authentieke taal in authentieke situaties, maakt begrip makkelijker. Bimmel en Weststrate (2014) leggen uit waarom: “Vergeleken met speciaal voor onderwijsdoelen geschreven materiaal hebben authentieke documenten een paar voordelen. Ze zijn vaak – anders dan men misschien zou denken – gemakkelijker te verstaan doordat zij redundanter zijn en meer contextuele informatie bieden. Kenmerkend voor authentieke luisterteksten zijn onder meer herhalingen, aarzelingen van sprekers, het gebruik van fillers en het herformuleren van afgebroken zinnen.” Authentieke taal is dus niet alleen natuurlijker, maar ook toegankelijker.

Toegankelijk en begrijpelijk

Uiteraard zijn niet alle authentieke bronnen geschikt voor alle leerlingen en voor alle niveaus. Daarom doen we voortdurend onderzoek onder leerlingen om te bepalen of input toegankelijk en begrijpelijk is. Daaruit blijkt iedere keer weer dat leerlingen meer begrijpen dan wij denken. Dat komt onder andere door de vele Engelstalige YouTube-filmpjes en vlogs die ze buiten school bekijken en de Engelstalige games die ze spelen. Daarom maken we in Wired veel gebruik van dit soort bronnen, juist omdat ze aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen en omdat het beeldende karakter ervan bevorderlijk is voor het begrijpen van het Engels.

Het authentieke materiaal maakt leerlingen nieuwsgierig en daagt ze uit: “Een goed ontwikkelde, ‘rijke’ taal is erg belangrijk voor de ontwikkeling van het denken. Taal structureert namelijk het denkproces en ondersteunt de verbeelding maar ook het zoeken in het geheugen. … Het brein van jongeren is voorgeprogrammeerd om nieuwe dingen te ontdekken en ervaringen op te doen. Dan moeten ze wel voldoende uitgedaagd worden, zodat ze hun volle potentieel kunnen ontplooien” (Jolles, 2017).

Bimmel, P. & C. Weststrate (2014). Vreemde-talendidactiek in veertig (en meer) werkbladen.
Jolles, J. (2017). Het tienerbrein.

Hoe zijn de onderwerpen voor Wired gekozen?

We gebruiken onderwerpen met “personal significance to the learner” (Tomlinson, 2011). Uit onderzoek blijkt dat dit een positief effect heeft op het leerproces. Hoe kom je daarachter? Volgens Tomlinson door “researching what the target learners are interested in” (2011: 11). Of zoals Jelle Jolles (2017: 320) het formuleert: “Het is een uitdaging voor het onderwijs om nog meer te gaan denken vanuit de optiek van de scholier.”

Onderzoek naar de interesses van leerlingen vinden wij ook belangrijk. Eerste ideeën leggen we voor aan leerlingenpanels om te ontdekken wat jongeren interessant vinden voor de lessen Engels. Dit is de start van het cocreatieproces van Wired. Zo gaan we op zoek naar wat leerlingen raakt, omdat intrinsieke motivatie een belangrijke factor is in het leerproces en een goede voorspeller is van motivatie en leren (Guthrie & Humenick, 2004). Goedgekozen onderwerpen zijn goed voor de ontwikkeling van de hersenen van jongeren: “Dus prikkels die voor beleving, overleving of gedrag zinvol zijn, leiden tot gebruik van neuronen en synapsen … gebruik leidt tot activiteit … activiteit leidt vervolgens tot meer gerichte activiteit en uiteindelijk tot het uitbouwen van gespecialiseerde connecties in de hersenen” Jolles (2017: 225). 

Onderwerpen die haalbaar en relevant zijn

Het kiezen van onderwerpen is een verrassend proces. De Britse leergangauteur Fiona Mauchline deed een informeel onderzoekje onder een groep Britse studenten van 17 tot 18 jaar om te zien welke onderwerpen zij interessant vinden voor de Engelse les. In 2016 schreef zij daarover een blog voor de Britse beroepsorganisatie IATEFL (International Association of Teachers of English as a Foreign Language). Zij vroeg zich af of de gebruikelijke, door uitgevers (en door haarzelf) bedachte onderwerpen interessant en relevant zijn: “You’re writing for secondary, and the umbrella topics are old friends: homes, food, clothes, friends, family, holidays, routines, technology and so on.” Niet dus. Een van haar conclusies: “We fill our books with tales of Tasmania and chocolate-covered insects, but while teens feign indifference, they’re actually being undermined. ‘I don’t want to talk about stuff I have no hope of ever seeing, doing or having,’ they say. And in this world of migrants and refugees, we’d be well-advised to listen. The teen years are filled with dreams of separation. They want to fly, so they want to read about achievable dreams, not rainbows and pots of gold. Travel texts? If they can get there by train or bus, go for it; if they need a Visa Gold Card, forget it. Food? Ramen or a doable recipe, yes; sheep’s eyes and crickets, no.” We moeten dus op zoek naar onderwerpen die haalbaar en relevant zijn.

De conclusie van alle onderzoeken is dat volwassenen een andere kijk hebben op wat interessant is dan jongeren. Een vergelijking van dit kleine onderzoek met de uitkomsten van onze eigen onderzoeken laat zien dat je per doelgroep, per land en per cultuur onderzoek naar de voor de doelgroep meest inspirerende onderwerpen moet doen. En dat doen we dus ook.

Tomlinson, B. (2011). Materials Development in Language Teaching.
Jolles, J. (2017). Het tienerbrein.
Guthrie, J. T., & Humenick, N. M. (2004). Motivating students to read: Evidence for classroom practices that increase reading motivation and achievement.

Waarom heeft Wired voor task-based learning gekozen?

Task-based learning speelt een belangrijke rol in Wired. Maar wat is task-based learning (of task-based language teaching) eigenlijk?

Bij task-based learning (TBL) gaat het om betekenisvolle communicatie, om zinvol gebruik van de taal, in ons geval het Engels. Centraal in TBL staat de taak. Een taak is een motiverende opdracht die aanzet tot een taalactiviteit die op een of andere manier gerelateerd is aan de werkelijkheid. Van den Branden (2006): “an activity in which a person engages in order to attain an objective, and which necessitates the use of language”. Het gebruik van engages is hier van belang: leerlingen voeren een taak niet alleen uit, maar zijn er ook persoonlijk bij betrokken. ‘Gerelateerd aan de werkelijkheid’ betekent dat de taak geloofwaardig in die zin relevant voor de leerlingen en is. Er moet sprake zijn van een willing suspension of disbelief. Dat wil zeggen: in sommige gevallen zullen leerlingen misschien beseffen dat de taak die ze uitvoeren niet per se iets is wat ze in hun toekomstige arbeidspraktijk zullen tegenkomen, maar wel iets wat past in een wereld van makebelieve. Taken moeten dus weloverwogen en betekenisvol zijn en de leerlingen aanzetten tot enige vorm van communicatie. Verder is er altijd sprake van een product (‘outcome’) dat in vorm en inhoud aansluit bij de wereld buiten de school.

Taken ontwikkeld met leerlingen en docenten

In Wired werken we met taken die we samen met leerlingen en docenten ontwikkelen. Dat proces begint steeds met gesprekken met leerlingen over onderwerpen uit de wereld van muziek, YouTube, verhalen, films, tv-series. Met hen zoeken we ook naar bronnen en ontwikkelen we relevante taken. Pas als zij er helemaal warm voor lopen, gaan we ermee verder. En pas wanneer materiaal goed in de klas getest en met docenten besproken is, maken we het definitief. Zo zijn we voor jaar 1 bij de volgende genres uitgekomen: muziek, boeken, YouTube, verhalen en stripverhalen. In jaar 1 maken de leerlingen bijvoorbeeld een flyer voor een muziekevenement, een storyboard voor een aantal filmscènes en een onderzoeksrapport over de moord op John F. Kennedy.

Maar die taalproducten zijn geen doel op zich. “Hoe levensecht en betekenisgericht taken ook moeten zijn, uiteindelijk gaat het om de taalverwerving,” aldus Bimmel en Weststrate (2014). Zij citeren Ellis: “… the real purpose of the task is not that learners should arrive at a successful outcome but that they should use language in ways that will promote language learning.” Engels leren doe je dus niet alleen door taal te gebruiken, maar ook door aandacht te vestigen op en te oefenen met taalvormen. Hier besteden we in Wired dus veel aandacht aan. 

Branden, K. van den, (Red.) (2006). Task-Based Language Education. From Theory to Practice.
Bimmel, P. & C. Weststrate (2014). Vreemde-talendidactiek in veertig (en meer) werkbladen.
Ellis, R. (2003). Task-based Language Learning and Teaching.

Taxonomie van Kwakernaak

In onderwijsland worden verschillende taxonomieën gebruikt, zoals Bloom, OBIT en RTTI. Wij hebben gekozen voor de taxonomie van Erik Kwakernaak (2012), omdat die, in tegenstelling tot andere taxonomieën, speciaal voor het vreemdetalenonderwijs is ontworpen. Hij heeft een opzet gemaakt die gebruikmaakt van de scheiding in receptieve en productieve taalvaardigheden en een onderverdeling in vijf categorieën voor de receptieve vaardigheden: van ‘zoeken’ tot ‘interpreteren’. Voor de productieve vaardigheden zijn er vier categorieën: van reproductie naar open productie. In onderstaand schema is de taxonomie weergegeven.

Klik op de afbeelding om te vergroten

Taxonomie Kwakernaak Wired methode Engels

Kwakernaak, E. (2012). Een taxonomie voor het vreemdtalenonderwijs.